About Trea Expositie Artwork Verhalen Tekenlessen Contact Guestbook

.Verhalen

Het familieportret
Even slikken
Zomer 1956
Rook
De voetbalwedstrijd
Anne
------------------------------------------------------------------------------

Het familieportret



Opgewonden loop ik met mijn schilderij de straat in waar ik geboren ben. De verf nog nat.
Ik heb me echt uitgesloofd met olieverf op doek. Een oude vergeelde foto van mijn grootouders, die ik nooit gekend heb, als voorbeeld. Mijn moeder wordt vandaag negentig. Ik heb buikpijn van de zenuwen. Normaal maakt het me niet zo veel uit hoe mensen over mijn schilderijen denken, nu wel.

Het is wel aardig gelukt vind ik.
Ze moet ze natuurlijk wel herkennen. Het zijn haar eigen ouders. Als ze het niet ziet ben ik de sul van het jaar en neem ik zeker nooit weer een penseel in mijn handen.

Ik moet een beetje schuin omhoog lopen op een metalen plaat die tegen de stoep op ligt.
Ik heb nog steeds een sleutel van “mijn” huis. Afschuwelijk zoals de woningbouwvereniging die voordeuren heeft geschilderd. “Koegeltjeblauw” noemt mijn moeder het. Het is Gronings.
Ik draai de deur open en loop het huis binnen. Het valt me opnieuw op dat alles zo klein is. Het huis heeft maar twee slaapkamers. Toch woonden we hier vroeger met zijn negenen. Mijn vader en moeder, mijn vier broers en mijn tante met haar zoontje. Ze heeft mooi rood haar mijn tante en mijn neefje ook.
Het ruikt er naar ouderdom. Voorzichtig zet ik het doek tegen de rollator die bij de voordeur staat en ik trek mijn jas uit. Op de kapstok staan nog steeds de twee Delfts blauwe beeldjes uit China. Een boertje en een boerinnetje met een juk met twee porseleinen emmertjes. Nog gauw even plassen. Die verdomde zenuwen!
In de woonkamer hoor ik de stemmen van mijn broers en schoonzussen. Mijn hart gaat te keer. Ik herpak me en spreek mezelf toe dat ik me aanstel. Het is je oude moeder maar. Muts.
Ik open de deur en houd mijn schilderij omhoog.

De reactie is verpletterend. Er klinkt diep afgrijzen en boosheid in haar stem. “Mien moe had ja gain rood haar. Hoe kom je daar nou bij!?”
Het was een gokje. Buiten mijn tante had mijn moeder nog een broer met rood haar. En mijn oma op de foto, die ik nooit gekend heb, had zo’n blonde oogopslag. Het had goed gekund.
Iedereen in de kamer barst in lachen uit. Ik haal diep adem en voel een grote opluchting.
Dat ze een boze is dat weet ik natuurlijk al mijn hele leven. “Stay angry” daar word je mooi zo oud mee. Maar dat ze haar ouders herkent op mijn doek, dat is bevredigend nieuws.
Ik weet nooit zo goed of ze blij is me te zien. Emoties zijn er niet om mee te koop te lopen.
Ik vertel haar dat oma nog wel een spoelinkje kan krijgen in het donkerblond omdat de verf nog nat is en kus haar om haar te feliciteren.

----------------------------------- Terug naar boven -------------------------------------------

Even slikken



Mijn huisarts kijkt me vragend aan. Achter hem hangt een modern schilderij van een vrouw met een enorme rode hoed in een sneeuwlandschap. Hij heeft mij zojuist bevrijd uit een wachtkamer vol hulpzoekers. Ik ben me daar, naargelang de tijd verstreek, steeds ongemakkelijker gaan voelen. Alsof onwetendheid en gelatenheid besmettelijk ziektes zijn die daar rondwaarden.
Ik heb een half uurtje zitten wachten. Een aardige oude meneer begon te vertellen dat hij wel tien soorten medicijnen slikt elke dag. Een jonge Surinaamse vrouw met een krijsende baby klaagde over slapeloze nachten en dat dit al de derde keer was dat hij die verschrikkelijke oorontstekingen heeft. De evenzo vele medicijnenkuurtjes hadden niet kunnen voorkomen dat het terugkwam. Het oortje zal wel doorgeprikt worden en dan maar weer een antibioticakuurtje waarschijnlijk.
Dan waren er nog die jongelui voor een inenting tegen de Mexicaanse griep.
Ik kwam eigenlijk alleen maar voor een verwijskaart voor fysio, maar krijg nu het gevoel dat ik een missie heb.
‘Wat kan ik voor je doen?’ Eén wenkbrauw wipt ongeduldig omhoog.
Zijn hand tikt met zijn pen op het receptenblokje. Klaar voor de aanval.
We zullen elkaar niet begrijpen. Er stroomt een rivier tussen ons, die te breed is, te wild en met hormonen besmet. En er is geen brug. Nergens een brug.
Als ik het goed doe kan ik misschien iets veranderen. In plaats daarvan hoor ik mezelf mompelen dat ik last heb van mijn nek. Hij staat op en loopt naar me toe.
‘Daar heb je al eens fysiotherapie voor gehad’ zegt hij. ‘Heeft dat je toen geholpen?’ Hij raakt een paar pijnlijke punten in mijn nek aan, draait mijn hoofd een paar verschillende kanten op en loopt terug naar zijn stoel.
‘Ik zal een spierverslapper voorschrijven. Dan heb je wat minder last. Dit is vrij onschuldig.’ Het idee trekt mij niet aan. Lekker onschuldig. Hij heeft zeker nog nooit van bijverschijnselen gehoord. Met een tevreden blik op zijn gezicht schrijft hij mij een spierverslapper voor. Hij weet duidelijk wat er moet gebeuren.
‘Hoe gaat het met jou en de kinderen? Ik kan me vergissen, maar je lijkt wat gespannen.’
Toch wel een aardige man ook. Ik weet nu helemaal niet meer hoe ik het hem moet zeggen: Ik ben nu op het punt dat mijn vingers in mijn handpalm glibberen. Dit is belangrijk voor een flink aantal mensen. Waarom is het dan zo moeilijk? Kom op, trut.
Laf geef ik toe dat ik me wel wat gespannen voel. Hij vraagt door naar de oorzaak. Dit is mijn kans natuurlijk, maar ik verkramp alleen nog een graadje erger. Ik krijg een akelig visioen. Zie mezelf al met een receptje antidepressiva de deur uit lopen. En dan pleeg ik over een paar weken zelfmoord als bijverschijnsel, net als mijn lieve buurmeisje, met de blonde krulletjes.
Als ik door de wachtkamer naar buiten loop, verscheur ik demonstratief het receptje voor de spierverslappers. Daar blijft het bij vandaag wat betreft mijn heldendaden. Ik heb mijn verwijskaart. De lieve opa wuift.


----------------------------------- Terug naar boven -------------------------------------------


Zomer 1956



Alles was veilig en voorspelbaar bij ons thuis. Mijn moeder was altijd in huis. Mijn vader, als hij op zijn Solex was thuisgekomen van kantoor, keek vooral veel naar onze pas verworven zwart-wit tv en in de krant. Op zondagmorgen stond er een schoteltje met lekkers naast ons bed. Als er iemand jarig was werden er ’s morgens pannenkoeken gebakken en ontbeten we aan tafel. En in de zomer gingen we altijd naar mijn oud-oom in Amsterdam. Altijd. Op dat ene jaar na.

Zodra het weer het toeliet, sleepte mijn moeder op maandagochtend de wasmachine met wringer naar buiten om vervolgens de hele dag bezig te zijn met het wassen van onze kleding en het beddengoed. Ik was niet graag in de buurt. Er was iets gevaarlijks in de manier waarop ze de handdoeken tussen de rollers van de wringer duwde. Ze zong niet als ze waste. Ze zwoegde. Als ik niet uitkeek ging ik ook de wringer in en dan zou ik zo plat als een flensje op mijn verjaardag zijn. Ze zou me zo op kunnen eten en niet eens merken dat ik het was.
Die maandag kwam ik terug uit school, toen ik achter het huis mijn tante bezig zag met de was. Ze droeg het bloemetjesschort van mijn moeder. De kleuren pasten niet bij haar rode haar. Zij deed de was ook heel anders. Het was minder eng. Ik had zo’n wisseling van de wacht nog nooit meegemaakt en gefascineerd kwam ik dichterbij.
“Waarom ben jij hier?” vroeg ik.
“Ga maar even naar binnen bij je moeder kijken” zei ze. “Er is een ongelukje gebeurd”. Ik rende naar binnen en remde net voor de deur van de woonkamer af. Wat nou als ze heel erg kapot was? Langzaam opende ik de deur. Daar zat mijn moeder met één been in verband op twee stoelen. De tuindeuren stonden open en ze genoot zichtbaar van de zon. Ze genoot…… Ik gaf toe aan een zeldzaam voorkomende neiging op om bij haar op de schoot te kruipen. Even trok ze een pijnlijk gezicht, maar ze voelde zacht als schone lakens en gaf me zelfs een kus. De sensatie van haar lippen op mijn wang was ongekend. Lekker. Haar linker arm was warm van de zon en ik zag zelfs de haartjes rusten. Ik zat samen met haar in de zon en het kon me niets schelen dat ze bloed had op haar been.

Ze had tijdens het wassen de deksel van het zinkputje op een kier gezet zodat het waswater beter weg kon lopen. Druk bezig, was ze er op gaan staan en weggegleden in het putje, zodat de putdeksel tegen haar scheen klapte, wat een flinke wond had veroorzaakt.
“We gaan niet naar oom Jo dit jaar”, zei ze. “Dit gaat wel even duren.” Het kon mij niet schelen.

Na ongeveer zes weken, de grote vakantie was bijna afgelopen, kwam de huisdokter steeds minder vaak om naar het been te kijken. Het was nu volop zomer en mam zat bijna altijd in de tuin. Ik was graag thuis om haar daar te zien zitten. Ik vond dat ze mooi paste bij de seringenboom en de rozenstruiken. De dokter droeg meestal een witte krakerige jas en mijn moeder lachte altijd lief naar hem. Op de laatste dag van de vakantie haalde hij het verband er weer af en zei dat het er goed uitzag.
“Werkelijk heel goed”, had hij gezegd. Ze moest maar langzaam aan weer gaan lopen. Ik wilde hem slaan met mijn schooltas. Ik wilde dat er padden uit zijn mond kwamen als hij probeerde te praten, zoals in de sprookjes van Grimm. Ik wilde de tijd terugdraaien en de deur niet voor hem opendoen deze keer.

Die middag ging ik met een vriendinnetje mee naar huis. Ze hadden daar een grote tuin met een oude perenboom. Ik klom er in en ben daar de hele middag blijven zitten, mijn vriendinnetje boos beneden achterlatend. Ze zou de hele middag alleen moeten spelen met haar poppenkast. Ik moest een beetje huilen omdat ik binnenkort mijn mam kwijt zou zijn en er weer een boze zwoegende vrouw in ons huis zou wonen. Tussen die oude kromme takken en de kleine onrijpe peertjes verdween ik even later als mezelf en daarbij verdween ook alles wat ik voelde. Ik telde de peertjes en gaf elk peertje de naam van één van mijn vriendinnetjes. Die dikkerd daar dat was Elza en die daar werd al een beetje rood, dat was Conny. De halve klas zat lekker om me heen. Ik was één van de peertjes en had nergens meer last van. Toen mijn vader mij op kwam halen voor het avondeten liet ik mij langs de stam naar beneden glijden. Mijn handen en knieën waren groen en een beetje geschaafd. De moeder van Titia waste ze wel weer schoon.

De volgende maandag was de eerste schooldag na de grote vakantie. Mijn moeder had ‘s morgens de Brinta klaargemaakt. Dat kon ze dus alweer. Het was een lange hete dag op school. De ramen mochten open. Ik kon de duiven horen ritselen en pikken naar de restjes van onze boterhammen op het schoolplein. De nieuwe juf was oud. Ze had grijs haar in een knotje en was heel aardig tegen mij. Ze noemde me “lieve kind” en ik mocht vooraan zitten vlakbij haar tafeltje. De juf van vorig jaar was jong met mooie krullen en lippenstift, maar ze maakte mij belachelijk als ik voor de klas stond of als ik niet direct netjes kon schrijven met een kroontjespen. Ze zat vaak in een spiegeltje te kijken en lakte haar nagels als wij in het schrift moesten schrijven. Soms moest ik nablijven en dan praatte ze Engels met de meester van de derde klas.
’s Nachts liep ik slapend door ons huis in die tijd. Ik was blij met mijn nieuwe juf. Misschien kon ze eens bij ons op visite komen. Ik kon niet wachten om het aan mijn
nieuwe mam te vertellen.

’s Middags toen ik thuis kwam van school zag ik in de tuin mijn moeder in een zwaar gevecht met de was. Onder één arm had ze een kruk. Ik glipte snel en onopgemerkt langs haar heen naar binnen. Ik liep eerst naar de kast en pikte een biscuittje. Daarna nestelde ik mij in de stoel van mijn vader en keek door het open tuindeuren naar mijn mam en voelde de tranen, agressief vechtend om naar buiten te mogen, achter mijn ogen. Toen ze even later binnenkwam met haar kruk om naar de wc te gaan, liep ik resoluut naar buiten en legde de putdeksel op een kier.


----------------------------------- Terug naar boven -------------------------------------------


Rook



Met mijn ouders ga ik af en toe naar een restaurant. Er is altijd veel te beleven.
Daar zit ik een man met een pijp in zijn mond. Hij is al oud, heel oud. Zijn huid is een beetje grijzig en gekreukeld als mijn moeders kringloop wc papier. Met zijn rook vertelt hij een verhaal. Ik zie de “geest” uit de pijp komen om hem te vragen wat hij wenst. Hij wenst dat hij een dierentuin kan blazen. En ja hoor…
Even later zie ik twee olifanten die met verstrengelde slurven heen en weer deinen alsof ze André Hazes horen zingen. Langzaam worden ze één. Maar de olifant die overblijft heeft geen slurf meer en
blijkt al snel een giraffe. Steeds langer wordt zijn nek. Angstig kijk ik toe hoe hij als slang mijn kant op sist. Gelukkig heb ik ook een wens gedaan en als de slang nog net niet bij mij is, lost hij op in de trillende lucht boven mijn bordje eten. Gespannen wacht ik af tot de man weer een haal van zijn pijp neemt. Ik hoop dat hij een varken blaast. Die kan dan mooi mijn bord verder leegeten.


----------------------------------- Terug naar boven -------------------------------------------


De voetbalwedstrijd



“Laten we haar even helpen”.
De oude dame ligt in de goot. Ze heeft zich verstapt op de rand van de stoep.
Job en Niels zijn net uit de supermarkt gekomen met een plastic tas vol pilsjes en chips voor het voetballen vanavond. Nederland - Italië.
De vrouw ligt in een vreemde kronkel, met haar rechterbeen in een onnatuurlijke knik en een van pijn vertrokken gezicht. Het been is duidelijk gebroken.
Waarom moeten ze nou weer gaan helpen? Job wil gewoon naar huis en dan lekker met z’n allen op de bank voor de tv.
Je zal het zien dan wil hij haar ook nog naar het ziekenhuis brengen en dan missen ze de eerste helft nog. Niels ook altijd met zijn heldendaden. Waarom gaat ie niet bij de padvinders?
Niels zit intussen al op zijn knieën bij de vrouw.
“Kom op Job, help effe”.
Job aarzelt. “Als het gebroken is mag ze er niet eens op staan. Kom nou maar mee. Ik bel de ambulance wel” Hij heeft zijn mobiel al opengeklapt in zijn hand. “112?”
“We kunnen haar toch even in de auto tillen?”
“Ja, en dan?”
Job krijgt het nu echt benauwd. Hij wil niet met dat ouwe wijf door de stad crossen en dan ook nog het ziekenhuis in. Hij heeft een gloeiende hekel aan ziekenhuizen. Laat iemand anders dat maar doen.
Hij kijkt snel om zich heen. Geen kip te bekennen die het voor hen op kan knappen. Iedereen zit natuurlijk al voor de buis.
“Als je nu niet meekomt ga ik alleen naar huis. Ik wil dit niet. Ik bel de ambulance. OK?”
De vrouw ziet lijkbleek. Het lijkt of ze ieder moment out kan gaan van de pijn, ook doordat Niels blijft proberen haar in zijn eentje op te beuren. Dit gaat duidelijk niet werken. Kwaad klapt Job zijn telefoon dicht en loopt er naar toe.
“Kom op idioot, ze verrekt van de pijn als je het zo doet.” Hij steekt zijn sterke armen onder het lichte dametje door en tilt haar in één keer op. Niels rent naar de auto en doet de deur open. Job legt haar op de achterbank en kruipt achter het stuur.
“Pak die zak met het bier!” commandeert hij. “Misschien kunnen we nog net de tweede helft zien.”

Het is druk op de EHBO. De wachtkamer zit vol met bloedende, bleke en half verbonden mensen.
Job heeft de oude dame op een brancard gelegd, bij gebrek aan aanwezige broeders. Nu ligt ze daar in de gang.
Ze zegt tegen de jongens dat ze heel erg bedankt worden en best nu naar huis kunnen gaan. Niels heeft al een stoel naar de brancard toegetrokken en gaat er eens echt voor zitten. Job rolt achter zijn rug met zijn ogen en loopt drie meter de gang in en dan weer terug en naar de portiersloge. Misschien hebben die gasten de tv aanstaan. Nee, niet dus. Dan maar weer terug naar Mr. Do-Good. Die vraagt net aan de vrouw of hij iemand voor haar moet bellen. Ze zegt niemand in de buurt te hebben.
Dan begint ze te praten, haar gezicht nog steeds in een pijnlijke grimas:
“Ik ga die man echt niet lastigvallen. Hij heeft een gebroken hart. Ik heb net de relatie beëindigd. Nou ja, dat begrijp je toch ook wel. Hij wilde nooit ergens heen. Ik wil nog een beetje van mijn leven genieten. Samen op dansles gaan. En eigenlijk wilde ik een stukje land kopen en orchideeën kweken. Misschien stiekem een paar wietplantjes ertussen, voor zijn reuma.” Ze knipoogt.
“Hij kon gewoon nergens tegen. Hij vindt mijn honden niet aardig. Ik vind hem wèl heel aardig hoor, maar zo rustig en in zichzelf gekeerd. Ik ga dood bij zo iemand.”
Wietplantjes? Wauw! Job begin de vrouw nu interessant te vinden. Hij denkt even niet meer aan Nederland – Italië. Hij trekt ook een stoel naar de brancard, haalt een pilsje uit de zak en vraagt of Niels er ook één wil. Niels kijkt een beetje onzeker om zich heen. “In het ziekenhuis?”
“Geef mij er ook maar eentje, zegt het fragiele dametje. Die koffie uit de automaat is toch niet te drinken.” Job begint nu echt lol in haar te krijgen. Hij maakt een flesje open met een andere geeft hem aan haar. Hij kijkt toe hoe ze uit het flesje drinkt en denkt even aan zijn eigen oma, die een half jaar geleden overleden is. Die was heel wat minder cool dan deze ouwe taart.
Ze krijgt zelfs alweer een beetje kleur op haar bleke gezicht.
“Vertel eens wat meer over die saaie vent” zegt Job. “Het lijkt er voorlopig nog niet op dat je snel aan de beurt bent.”
“Ik heb hem leren kennen op de zwemles. Hij is veel jonger dan ik. Werkte daar als badmeester. Hij vond mij leuk. Gek hè? Ik ben bijna 20 jaar ouder. En in badpak is het ook niet meer wat het geweest is.”
Job grinnikt. Hij maakt nog een flesje open en geeft hem automatisch aan de vrouw. Haar eerste is inderdaad leeg.
Een verpleegster komt de brancard halen om een foto te laten maken van het been. Ze fronst haar wenkbrauwen bij het zien van de lege bierflesjes, maar zegt niets.

Niels kijkt Job aan en zegt: “Ik wil nu wel naar huis. Ze is in goeie handen en ik voel me een beetje te kakken zitten met een pils in het ziekenhuis.”
“Laten we het verhaal nog even afluisteren” werpt Job tegen. “Ik wil wel eens horen hoe ze die ouwe gek heeft afgepoeierd.”
“Jij wou toch naar huis?” Niels staat op en sleept zijn stoel terug naar de wachtkamer. Langzaam loopt hij naar buiten. Job loopt aarzelend achter hem aan. Bij de buitendeur kijkt hij naar buiten naar de mensen op straat.
“Ga jij dan maar in je eentje naar de nabeschouwing kijken.” zegt hij.
Hij kijkt nog eens om zich heen. Geen vrolijke gezichten op straat. We zullen wel weer verloren hebben. Hij loopt terug naar binnen.

----------------------------------- Terug naar boven -------------------------------------------


Anne



Ik was natuurlijk nog hartstikke jong toen ik artsenbezoekster wilde worden. Mijn medicijnenstudie had ik na bijna twee jaar afgebroken. Het was toch niet helemaal wat ik wilde, in mijn dode medemens snijden en de namen van honderden botjes in mijn hoofd stampen. Ik was gemotiveerd om er mee op te houden maar voelde me toch een gesjeesde student. Vertegenwoordiger in medicijnen was eigenlijk een logische volgende stap. Het verdiende erg goed en dan nog had je de leuke contacten met aardige jonge dokters. En nu was ik in mijn enige sollicitatiepak, een grijze met krijtstreep, op banenjacht.
Ik stapte het kantoor binnen en schudde de hand van een aantrekkelijke man van mijn eigen leeftijd, die mij vaag bekend voorkwam. Hij gaf me een hand en keek mij vriendelijk aan.
“John Hogervorst” zei hij. “Ik ben hoofd verkoop. ”
“Ik ben Tina Berger” antwoordde ik en nam plaats tegenover hem.
De man begon me enthousiast te vertellen over het grote concern waarvoor hij werkte en daarna een aantal vragen te stellen, die ik beleefd beantwoordde.
Ik keek naar zijn gezicht en voelde een vaag onbehagen opkomen. Hij had best leuke ogen, maar zijn mond had iets hards. Ineens zag ik wat mij bekend was voorgekomen. Johnnie! Dit was Johnnie van het burgemeesterspelletje! Ik trok vroeger, samen met mijn vriendinnetje, zijn broek naar beneden. Dit was te gênant voor woorden. Zou hij mij herkend hebben? Gelukkig had ik nu kort haar. Bovendien had ik het met henna roodgeverfd.
“Eh, neemt u mij niet kwalijk, ik heb uw laatste vraag niet goed verstaan” , stamelde ik.

Hij bleek mij niet herkend te hebben en ik kreeg de baan. Ik ontdekte dat ik veel met hem moest samenwerken en dat hij best aardig was en ook wel streng. Vaak dacht ik, als hij stond te pep talken, aan het kleine ventje dat huilend probeerde weg te komen met zijn broek op de enkels.
Ik moest veel studeren om de artsen goed onderlegd te woord te kunnen staan.
Hij leerde mij hoe ik ze op onze hand kon krijgen. Voor marketing volgde ik intern trainingen bij iemand met psychologische achtergrond. Ik leerde rekening te houden met de manier waarop ik me kleedde, keurig maar met een verborgen zweem van sexy. Ik moest leuke kleine cadeautjes meenemen voor de secretaresses en de doktersassistentes. Dat hielp om door de muur van bescherming heen te breken en überhaupt een afspraak te krijgen bij de drukke artsen. Ik moest elke keer weer overkomen alsof ik hèt goede nieuws van de eeuw kwam brengen en ik moest dit wetenschappelijk kunnen onderbouwen.
Ik verdiende goed en werd niet geplaagd door enig moreel bezwaar. Ik kon ook met John steeds beter opschieten. Ik deed mijn werk met grote overgave en plezier. Ik ontmoette inderdaad veel aardige jonge artsen en flirtte subtiel, zoals het mij geleerd was. Al snel kwam ik in aanmerking voor promotie. Het aanbod dat ik bestudeerde en de monsters die ik meekreeg veranderden daardoor van aard. Waar ik eerst alleen anti schimmelcrèmes, laxeermiddelen, pijnstillers en oog- en oordruppels aan de man mocht brengen, werd ik nu ingeleid in nieuwe harttabletten en medicijnen, die te maken hadden met hormonale aandoeningen. Ik begreep uit mijn studies dat sommige middelen wel heel snel op de markt waren gebracht. Ik begon in te zien dat verschillende hoge piefen, die als commissaris verbonden waren aan ons bedrijf, zitting hadden in panels die moesten bepalen of geneesmiddelen in Nederland al dan niet verkocht mochten worden. De bijverschijnselen waren sowieso bijna nooit aanleiding tot diepgaande gesprekken met de artsen. Ik werd niet heet of koud van al deze informatie. Ik had het te goed naar mijn zin.

Ik zat met Anne aan mijn keukentafel. “Vind jij me te dik?” vroeg ze. Ik kon met eerlijke verbijstering ontkennend antwoorden.
Het enige dochtertje van mijn broer Rob was op haar 12e eerder wat aan de dunne kant. Ik keek haar even wat langer aan. Wat had ze een ontzettend leuk koppie met die blonde krulletjes. Ik zag ook wel iets van mezelf in haar, dat onzekere natuurlijk en ook haar ogen en neus.
“Zal ik 50 vlechtjes in je haar maken?” Het leek me erg veel werk om ze er ‘s avonds allemaal weer uit te moeten halen, maar ik kon haar niet goed iets weigeren, dus ik stemde toe.
Bij vlechtje nr. 15 of zo begon het haar te vervelen en pakte ze haar schooltas.
“Kijk, ik heb geprobeerd Jill te tekenen”. Verwachtingsvol keek ze naar mijn gezicht.
“Is Jill echt zo somber?” Op de het vel papier stond een fantastisch getekend portret van een meisje. Ik wist niet hoe Jill eruitzag, maar de tekening was briljant. Ik keek op naar Anne en realiseerde me, door haar blik, dat ik vergeten was haar een compliment te maken over de tekening.
“Ik hoef je toch niet te vertellen hoe goed dit is, hè? Maar vertel me eens over Jill. Ze ziet er zo verdrietig uit.”
Anne dacht even na en zei, “Jill is juist vet blij. Ik ga je vlechtjes er weer uithalen.”

Als ik op de markt liep kon ik het vaak niet laten iets voor Anne te kopen. Een leuk T-shirt, potloden of zo’n leuke pet. In de tijd dat ik bij Bodex werkte, was ze bijna 14 en begon ze heftig te puberen. Regelmatig kwam ze bij haar jonge tante op bezoek en klaagde dan over vervelende vriendinnen of verliefde jongens. Af en toe had ze een huilbui en ik troostte haar dan zo goed als ik kon. Ik zocht er niets achter. Toen ik zo oud was vond ik het leven ook best moeilijk.
Maar na een tijdje kreeg ik radeloze telefoontjes van mijn schoonzus. Ze vertelde me dat Anne bijna elke dag huilde en vaak ook hele nachten. Ik was degene die haar aanraadde het kind naar de dokter te sturen.

Anne kreeg een antidepressivum voorgeschreven van het merk dat ik ook in mijn pakket had. ‘Ik voel me zo beroerd, Tina.’ Ik had met haar te doen ze zag er inderdaad erg slecht uit.
‘En weet je ik kan niet meer tekenen. Mijn handen trillen als een gek.’ Ik probeerde haar wat op te beuren door samen pannenkoeken te gaan bakken. Terwijl ze met een beverig handje het beslag in de pan goot, vertelde ze over een droom. ‘Zo eng, alsof er alleen maar duister is en dan zoek ik overal naar een lampje en ik word steeds banger en dan word ik wakker van mijn eigen gillen’. Ik zei dat het wel over zou gaan, omdat dit allemaal bijverschijnselen waren van haar medicijnen.
‘Weet jij wat er gebeurt als je doodgaat? Jill zegt dat je dan nog gewoon doorleeft. Ik hoop het niet. Jij?’ Haar stem klonk vlak en emotieloos. Ik wist niet wat ik moest zeggen en ze begon tot mijn grote opluchting weer over school. Dat was nu al de zoveelste keer dat ze over de dood praatte.
Ze leek gefascineerd door bekende mensen die overleden en op een dag kwam ze zelfs met een dode kat op haar arm bij me thuis. We hebben hem samen begraven in de tuin en Anne maakte een kruis van takken. Nog steeds gingen bij mij geen alarmbellen rinkelen, want ze huilde niet meer.

Op mijn werk deed ik erg mijn best dit middel door de artsen vaker te laten voorschrijven. John had gezegd dat er een hoge winstmarge op zat. Antidepressiva liepen erg goed. Het leek wel of iedereen tegenwoordig dit soort middelen nodig had om nog een beetje plezier in het leven te hebben. Nou ja, ik niet in elk geval. Mijn leven was precies zoals ik het wilde. Ik verdiende goed, ging veel stappen met mijn vriendinnen en vond mijn werk interessant.
John vroeg me vaak met hem uit te gaan, maar ik had nog steeds het onderbroekenverhaal op mijn netvlies en kon hem daardoor niet serieus nemen.

‘Tina, je moet komen. Er is iets vreselijks gebeurd’ Ik had net mijn haar gewassen en stond met de handdoek om mijn hoofd aan de telefoon. Het was mijn broer Rob, de vader van Anne.
Mijn hart leek over te slaan en heel even dacht ik dat ik flauw zou vallen. Ik wist het. Hij hoefde niets meer te zeggen.
‘Anne?’, zei ik alleen.
Even later zat ik in de auto met de handdoek nog om mijn hoofd. Ik had alleen een lange broek en een vest aangeschoten. Het korte eindje naar het huis van mijn broer moet ik in twee minuten hebben afgelegd. Rob opende de deur en zag lijkbleek. Hij liep voor me uit naar de kamer van Anne. Daar was ze. Haar blonde krullen onder het bloed. Het bed knalrood en zij erop, zo wit, zo wit…. Ze droeg het t-shirt dat ik afgelopen zaterdag voor haar had gekocht.
‘De dokter is onderweg.’, zei Rob hulpeloos.
Ik wist dat het niet meer nodig was. Ze had heel efficiënt haar beide polsen in de lengte opengesneden. Naast haar bed lag een kruis van takken.

----------------------------------- Terug naar boven -------------------------------------------