De voetbalwedstrijd

"Laten we haar even helpen".

De oude dame ligt in de goot. Ze heeft zich verstapt op de rand van de stoep.

Job en Niels zijn net uit de supermarkt gekomen met een plastic tas vol pilsjes en chips voor het voetballen vanavond. Nederland - Italië.

De vrouw ligt in een vreemde kronkel, met haar rechterbeen in een onnatuurlijke knik en een van pijn vertrokken gezicht. Het been is duidelijk gebroken.

Waarom moeten ze nou weer gaan helpen? Job wil gewoon naar huis en dan lekker met z'n allen op de bank voor de tv.

Je zal het zien dan wil hij haar ook nog naar het ziekenhuis brengen en dan missen ze de eerste helft nog. Niels ook altijd met zijn heldendaden. Waarom gaat ie niet bij de padvinders?

Niels zit intussen al op zijn knieën bij de vrouw.

"Kom op Job, help effe".

Job aarzelt. "Als het gebroken is mag ze er niet eens op staan. Kom nou maar mee. Ik bel de ambulance wel!" Hij heeft zijn mobiel al opengeklapt in zijn hand. "112?"

"We kunnen haar toch even in de auto tillen?"

"Ja, en dan?"

Job krijgt het nu echt benauwd. Hij wil niet met dat ouwe wijf door de stad crossen en dan ook nog het ziekenhuis in. Hij heeft een gloeiende hekel aan ziekenhuizen. Laat iemand anders dat maar doen.

Hij kijkt snel om zich heen. Geen kip te bekennen die het voor hen op kan knappen. Iedereen zit natuurlijk al voor de buis.

"Als je nu niet meekomt ga ik alleen naar huis. Ik wil dit niet. Ik bel de ambulance. OK?"

De vrouw ziet lijkbleek. Het lijkt of ze ieder moment out kan gaan van de pijn, ook doordat Niels blijft proberen haar in zijn eentje op te tillen. Dit gaat duidelijk niet werken. Kwaad klapt Job zijn telefoon dicht en loopt er naar toe.

"Kom op idioot, ze verrekt van de pijn als je het zo doet." Hij steekt zijn sterke armen onder het lichte dametje door en tilt haar in één keer op. Niels rent naar de auto en doet de deur open. Job legt haar op de achterbank en kruipt achter het stuur.

"Pak die zak met het bier!" commandeert hij. "Misschien kunnen we nog net de tweede helft zien."

Het is druk op de EHBO. De wachtkamer zit vol met bloedende, bleke en half verbonden mensen.

Job heeft de oude dame op een brancard gelegd, bij gebrek aan aanwezige broeders. Nu ligt ze daar in de gang.

Ze zegt tegen de jongens dat ze heel erg bedankt worden en best nu naar huis kunnen gaan. Niels heeft al een stoel naar de brancard toegetrokken en gaat er eens echt voor zitten. Job rolt achter zijn rug met zijn ogen en loopt drie meter de gang in en dan weer terug en naar de portiersloge. Misschien hebben die gasten de tv aanstaan. Nee, niet dus. Dan maar weer terug naar Mr. Do-Good. Die vraagt net aan de vrouw of hij iemand voor haar moet bellen. Ze zegt niemand in de buurt te hebben.

Dan begint ze te praten, haar gezicht nog steeds in een pijnlijke grimas:

"Ik ga die man echt niet lastigvallen. Hij heeft een gebroken hart. Ik heb net de relatie beëindigd. Nou ja, dat begrijp je toch ook wel. Hij wilde nooit ergens heen. Ik wil nog een beetje van mijn leven genieten. Samen op dansles gaan. En eigenlijk wilde ik een stukje land kopen en orchideeën kweken. Misschien stiekem een paar wietplantjes ertussen, voor zijn reuma." Ze knipoogt.

"Hij kon gewoon nergens tegen. Hij vindt mijn honden niet aardig. Ik vind hem wel heel aardig hoor, maar zo rustig en in zichzelf gekeerd. Ik ga dood bij zo iemand."

Wietplantjes? Wauw! Job begin de vrouw nu interessant te vinden. Hij denkt even niet meer aan Nederland - Italië. Hij trekt ook een stoel naar de brancard, haalt een pilsje uit de zak en vraagt of Niels er ook één wil. Niels kijkt een beetje onzeker om zich heen. "In het ziekenhuis?"

"Geef mij er ook maar eentje”, zegt het fragiele dametje. Die koffie uit de automaat is niet te drinken." Job begint nu echt lol in haar te krijgen. Hij maakt een flesje open met een ander flesje en geeft hem aan haar. Hij kijkt toe hoe ze uit het flesje drinkt en denkt even aan zijn eigen oma, die een half jaar geleden overleden is. Die was heel wat minder cool dan deze ouwe taart.

Ze krijgt zelfs alweer een beetje kleur op haar bleke gezicht.

"Vertel eens wat meer over die saaie vent" zegt Job. "Het lijkt er voorlopig nog niet op dat je snel aan de beurt bent."

"Ik heb hem leren kennen op de zwemles. Hij is veel jonger dan ik. Werkte daar als badmeester. Hij vond mij leuk. Gek hè? Ik ben bijna 20 jaar ouder. En in badpak is het ook niet meer wat het geweest is."

Job grinnikt. Hij maakt nog een flesje open en geeft hem automatisch aan de vrouw. Haar eerste is inderdaad leeg.

Een verpleegster komt de brancard halen om een foto te laten maken van het been. Ze fronst haar wenkbrauwen bij het zien van de lege bierflesjes, maar zegt niets.

Niels kijkt Job aan en zegt: "Ik wil nu wel naar huis. Ze is in goeie handen en ik voel me een beetje te kakken zitten met een pils in het ziekenhuis."

"Laten we het verhaal nog even afluisteren" werpt Job tegen. "Ik wil wel eens horen hoe ze die ouwe gek heeft afgepoeierd."

"Jij wou toch naar huis?" Niels staat op en sleept zijn stoel terug naar de wachtkamer. Langzaam loopt hij naar buiten. Job loopt aarzelend achter hem aan. Bij de buitendeur kijkt hij naar buiten naar de mensen op straat.

"Ga jij dan maar in je eentje naar de nabeschouwing kijken." zegt hij.

Hij kijkt nog eens om zich heen. Geen vrolijke gezichten op straat. We zullen wel weer verloren hebben. Hij loopt terug naar binnen.