Zomer 1956

Voorgelezen door Trea Mekel

Ik was zes. Alles was veilig en voorspelbaar bij ons thuis. Mijn moeder was altijd in huis. Mijn vader, als hij op zijn Solex was thuisgekomen van kantoor, keek vooral veel naar onze pas verworven zwart-wit tv en in de krant. Op zondagmorgen stond er een schoteltje met lekkers naast ons bed. Als er iemand jarig was werden er 's morgens pannenkoeken gebakken en ontbeten we aan tafel. En in de zomer gingen we altijd naar mijn oud-oom in Amsterdam. Altijd. Op dat ene jaar na.

Zodra het weer het toeliet, sleepte mijn moeder op maandagochtend de wasmachine met wringer naar buiten om vervolgens de hele dag bezig te zijn met het wassen van onze kleding en het beddengoed. Ik was niet graag in de buurt. Er was iets gevaarlijks in de manier waarop ze de handdoeken tussen de rollers van de wringer duwde. Ze zong niet als ze waste. Ze zwoegde. Als ik niet uitkeek ging ik ook de wringer in en dan zou ik zo plat als een flensje op mijn verjaardag zijn. Ze zou me zo op kunnen eten en niet eens merken dat ik het was.

Die maandag kwam ik terug uit school, toen ik achter het huis mijn tante bezig zag met de was. Ze droeg het bloemetjesschort van mijn moeder. De kleuren pasten niet bij haar rode haar. Zij deed de was ook heel anders. Het was minder eng. Ik had zo'n wisseling van de wacht nog nooit meegemaakt en gefascineerd kwam ik dichterbij.

"Waarom ben jij hier?" vroeg ik.

"Ga maar even naar binnen bij je moeder kijken" zei ze. "Er is een ongelukje gebeurd". Ik rende naar binnen en remde net voor de deur van de woonkamer af. Wat nou als ze heel erg kapot was? Langzaam opende ik de deur. Daar zat mijn moeder met één been in verband op twee stoelen. De tuindeuren stonden open en ze genoot zichtbaar van de zon. Ze genoot. Ik gaf toe aan een zeldzaam voorkomende neiging op om bij haar op de schoot te kruipen. Even trok ze een pijnlijk gezicht, maar ze voelde zacht als schone lakens en gaf me zelfs een kus. De sensatie van haar lippen op mijn wang was ongekend. Lekker. Haar linker arm was warm van de zon en ik zag zelfs de haartjes rusten. Ik zat samen met haar in de zon en het kon me niets schelen dat ze bloed had op haar been.

Ze had tijdens het wassen de deksel van het zinkputje op een kier gezet zodat het waswater beter weg kon lopen. Druk bezig, was ze er op gaan staan en weggegleden in het putje, zodat de putdeksel tegen haar scheen klapte, wat een flinke wond had veroorzaakt.

"We gaan niet naar oom Jo dit jaar", zei ze. "Dit gaat wel even duren." Het kon mij niet schelen.

Na ongeveer zes weken, de grote vakantie was bijna afgelopen, kwam de huisdokter steeds minder vaak om naar het been te kijken. Het was nu volop zomer en mam zat bijna altijd in de tuin. Ik was graag thuis om haar daar te zien zitten. Ik vond dat ze mooi paste bij de seringenboom en de rozenstruiken. De dokter droeg meestal een witte krakerige jas en mijn moeder lachte altijd lief naar hem. Op de laatste dag van de vakantie haalde hij het verband er weer af en zei dat het er goed uitzag.

"Werkelijk heel goed", had hij gezegd. Ze moest maar langzaam aan weer gaan lopen. Ik wilde hem slaan met mijn schooltas. Ik wilde dat er padden uit zijn mond kwamen als hij probeerde te praten, zoals in de sprookjes van Grimm. Ik wilde de tijd terugdraaien en de deur niet voor hem opendoen deze keer.

Die middag ging ik met een vriendinnetje mee naar huis. Ze hadden daar een grote tuin met een oude perenboom. Ik klom er in en ben daar de hele middag blijven zitten, mijn vriendinnetje boos beneden achterlatend. Ze zou de hele middag alleen moeten spelen met haar poppenkast. Ik moest een beetje huilen omdat ik binnenkort mijn lieve mam kwijt zou zijn en er weer een boze zwoegende vrouw in ons huis zou wonen. Tussen die oude kromme takken en de kleine onrijpe peertjes verdween ik even later als mezelf en daarbij verdween ook alles wat ik voelde. Ik telde de peertjes en gaf elk peertje de naam van één van mijn vriendinnetjes. Die dikkerd daar dat was Elza en die daar werd al een beetje rood, dat was Conny. De halve klas zat lekker om me heen. Ik was één van de peertjes en had nergens meer last van. Toen mijn vader mij op kwam halen voor het avondeten liet ik mij langs de stam naar beneden glijden. Mijn handen en knieën waren groen en een beetje geschaafd. De moeder van Titia waste ze wel weer schoon.

De volgende maandag was de eerste schooldag na de grote vakantie. Mijn moeder had 's morgens de Brinta klaargemaakt. Dat kon ze dus alweer. Het was een lange hete dag op school. De ramen mochten open. Ik kon de duiven horen ritselen en pikken naar de restjes van onze boterhammen op het schoolplein. De nieuwe juf was oud. Ze had grijs haar in een knotje en was heel aardig tegen mij. Ze noemde me "lieve kind" en ik mocht vooraan zitten vlakbij haar tafeltje. De juf van vorig jaar was jong met mooie krullen en lippenstift, maar ze maakte mij belachelijk als ik voor de klas stond of als ik niet direct netjes kon schrijven met een kroontjespen. Ze zat vaak in een spiegeltje te kijken en lakte haar nagels als wij in het schrift moesten schrijven. Soms moest ik nablijven en dan praatte ze Engels met de meester van de derde klas.

's Nachts liep ik slapend door ons huis in die tijd. Ik was blij met mijn nieuwe juf. Misschien kon ze eens bij ons op visite komen. Ik kon niet wachten om het aan mijn nieuwe mam te vertellen.

's Middags toen ik thuis kwam van school zag ik in de tuin mijn moeder in een zwaar gevecht met de was. Onder één arm had ze een kruk. Ik glipte snel en onopgemerkt langs haar heen naar binnen. Ik liep eerst naar de kast en pikte een biscuittje. Daarna nestelde ik mij in de stoel van mijn vader en keek door het open tuindeuren naar mijn mam en voelde de tranen, agressief vechtend om naar buiten te mogen, achter mijn ogen. Toen ze even later binnenkwam met haar kruk om naar de wc te gaan, liep ik resoluut naar buiten en legde de putdeksel op een kier.